Denominaties

Franse naam : Cèdre de l'Atlas
Engelse naam : Atlas cedar
Duitse naam : Atlas-Zeder

Geslacht

Cedrus

Algemene informatie

Frequentie in deze inventaris : 14
Deze soort is het 70de meest vertegenwoordigd in de inventaris.
De rangschikking van de frequentie van de soorten raadplegen :
XLSX (Excel 2007) - XLS (Excel 1997-2003)

Afkomst

De Atlasceder groeit in grote aantallen in de bergen van Noord-Afrika tussen 1.200 en 1.500 m hoogte, meer bepaald in Algerije (in de Aurès, Kabylië en Ouarsenis) maar vooral in Marokko (de Midden-Atlas, de Rif en de hoge oostelijke Atlas).
 
Hij werd in 1826 ontdekt door Philipp Barker Webb en vermenigvuldigd door de Franse boomkweker Sénéclauze. Hij raakte nadien snel ingeburgerd doordat hij gebruikt werd voor de herbebossing van het mediterrane laaggebergte in Zuid-Frankrijk (Mont Ventoux, Vaucluse, Pyreneeën, ...).

Beschrijving

De Atlasceder is een groenblijvende naaldboom die tot 40 m hoog kan worden. Hij behoudt lange tijd een pyramidaal voorkomen maar zijn kruin raakt afgeplat bij oudere exemplaren. Het is een boom die meer dan 1.000 jaar oud kan worden met een indrukwekkende stamomtrek maar op jeugdige leeftijd groeit hij traag.

 

Deze soort houdt van halfschaduw, maar verdraagt directe blootstelling aan de zon. Jonge planten moeten echter de eerste jaren worden beschut. Hij is bestand tegen de winters in gematigde streken maar temperaturen van minder dan -25°C worden hem fataal. Hij kan bijzonder goed tegen grote droogte en omstandigheden met weinig of onregelmatig water maar verdraagt geen compacte of hydromorfe bodems. Hij stelt weinig eisen aan de pH van de bodem en verdraagt zowel een zure als een matig alkalische bodem. Het liefst houdt hij echter van een diepe en losse bodem met een lichtzure tot neutrale pH. Door zijn draaiende en diepe wortelvorming kan hij ook groeien op ondiepe kalkbodems als de onderliggende rotsen voldoende gekloven zijn. Hij is bijzonder goed bestand tegen luchtvervuiling in de stad.

 

De takken zijn lang en dun, omhoog gericht, grijsgeel, met dichte en korte donzigheid, groene (Cedrus atlantica) of grijsgroene naalden (Cedrus atlantica ‘Glauca’) die in rozetten gegroepeerd op de korte takken staan of alleen op de lange takken. De knoppen zijn klein, eirond, bolvormig en heldergroen tot bruin van kleur.

 

De mannelijke kegels verschijnen in de vorm van oranjegele tot goudgele en rechtop staande katjes die in september een overvloedig crèmegeel stuifmeel verspreiden dat door de wind wordt meegevoerd (anemochorie). De vrouwelijke kegels zijn minuscuul tijdens de stuifmeelvorming maar groeien tegen de maand juni van het volgende jaar uit tot een gladde kegel van 5 à 8 cm lengte en 4 à 5 cm diameter met een navelvormige top. Na twee jaar laten de kegels van de ceder langzaam los en vallen van de boom. Op de lege plaats blijft nog gedurende meerdere jaren een centrale wig staan.


Snoei

De ceder vormt na snoeien geen nieuwe jonge takken op de plaats waar een tak werd afgesneden. Om die reden, en ondanks het feit dat cederhout bijzonder goed bestand is tegen rotting (onrotbaar), wordt snoeien sterk afgeraden tenzij het gaat om een zachte snoei die alleen dient om dode takken binnen in de kruin te verwijderen of om afgerukte takken tot op de stam af te zagen. Dat betekent ook dat een ceder waarvan takken afgebroken zijn door de weersomstandigheden (storm, sneeuwdruk, ...) nooit de harmonisch uitgegroeide kruin zal terugkrijgen die hij eerder had.

Gebruiken

De Atlasceder komt veelvuldig voor in de Brusselse parken en tuinen. Vooral de variëteit met grijsgroene naalden is erg populair. Cederhout is een hoogwaardige houtsoort. Het laat zich uitstekend bewerken en heeft grote mechanische kwaliteiten, een goede duurzaamheid en karakteristieke geur. Het wordt gebruikt voor binnen- en buitenschrijnwerk en in de scheepsbouw door het feit dat het niet onderhevig is aan houtrot en niet wordt aangetast door insecten en wormen.

Kenmerken

Groeisnelheid : traag in de juveniele fase, middelmatig in de volwassen fase
Theoretische levensduur : + 1000 jaren
Vereiste helderheid (volgroeid) : Halfschaduw tolerant
Affiniteit met bodemtype : zuur tot matig alkalisch
Niet bestand tegen verontreiniging.
Type beworteling : swivel
Diepte beworteling : aanzienlijk

Afmetingen

Maximale omtrek in deze inventaris : 410 cm
Maximale omtrek geregistreerd in België : 651 cm (1999)
Theoretische bereikbare omtrek : 700 cm
Theoretische minimale omtrek voor de opneming in de inventaris* : 190 cm
Theoretische minimale omtrek om een boom als opmerkelijk te kwalificeren* : 285 cm
Maximale hoogte in deze inventaris : 35 m
Theoretische bereikbare hoogte : 20 - 35 m

* Deze criteria worden gewogen op de wijze als omschreven in de methodologie.

Excel export van de bomen van deze soort